9De op deze website beschreven methodische kenmerken van de individuele begeleiding bij Grip richt zich op de begeleiding van jongeren met psychiatrische noden. Dit zijn vaak jongeren met een diagnose autismespectrumstoornis (ASS). Hoewel er ook andere jongeren zijn met psychiatrische noden, richten we ons op de beschrijving van de grootste groep, de jongeren met een diagnose ASS. De meeste deelnemers van Grip hebben daarbij een normale tot hoge begaafdheid.

Kinderen en jongeren met ASS laten onderling uiteenlopende problemen zien1. De problemen en mogelijkheden zijn individueel bepaald en vragen om een individuele benadering. In de literatuur wordt ASS veelal vanuit een medische invalshoek benaderd. De literatuur gaat over kenmerken van autisme, hoe diagnoses worden gesteld en welke behandeling of begeleiding het beste gevolgd kan worden. Het bieden van duidelijkheid en structuur wordt veelal gezien als antwoord op hoe jongeren met autisme te begeleiden. Het is inderdaad zo dat deze jongeren vaak beter functioneren als de omgeving in hoge mate voorspelbaar is. Opgroeien in een sterk gestructureerd systeem leert je echter niet omgaan met de veranderlijkheid van onze maatschappij. Wanneer bijvoorbeeld de interactie niet past binnen het aangeleerde ‘sociale script’ ontstaat er verwarring met als gevolg overprikkeling en controleverlies.

De Grip-methode is er op gericht om daar waar het kan onverwachte gebeurtenissen in te bouwen. Jongeren leren geen vast interactiepatroon, maar leren om signalen van anderen te herkennen en daarop vanuit hun eigen kracht op te reageren. Grip sluit aan bij de kwaliteiten en mogelijkheden van de deelnemers en biedt in afstemming wat voor een deelnemer nodig is.

ASS diagnose

De diagnose ASS wordt vastgesteld wanneer de jongeren volgens de criteria van het classificatiesysteem DSM past binnen het autismespectrum.

Kenmerken van autisme in de DSM-V (mei 2013) zijn in elk geval:

  1. sociale en communicatieve gebreken;
  2. gefixeerde interesses en herhaalde gedragingen.

Daarnaast kunnen zich ook op andere terreinen problemen voordoen, bijvoorbeeld op het gebied van de motoriek. Hierdoor kunnen kinderen ‘onhandig’ overkomen. Ook problemen op het gebied van sensitiviteit voor prikkels, zoals overgevoeligheid voor geluiden, geuren en licht, komen voor. Evenals een verminderde sensitiviteit, bijvoorbeeld het niet voelen van pijn. Ook is een combinatie mogelijk met internaliserende, dan wel externaliserende problemen. Bij internaliserende problemen gaat het om problemen op het emotionele vlak, zoals angsten, paniek en moeite met de regulatie van emoties. Externaliserende problemen kunnen zijn: moeite met aandacht/ concentratie, hyperactiviteit en agressiviteit (Verheij & de Nijs, 2011).